Niet de tool, maar de leerkracht moet aan het stuur staan

Tijmen Booij, oprichter van AIcademie, over AI in het onderwijs, waarom scholen niet moeten beginnen met tools en waarom goed nadenken soms ook betekent dat je bewust ‘nee’ zegt tegen AI.

Leestijd 8 min
Niet de tool, maar de leerkracht moet aan het stuur staan

AI is allang de school binnengekomen.

Misschien niet altijd officieel. Misschien niet via een beleidsplan of een studiedag. Maar wel via leerkrachten die ChatGPT gebruiken voor een lesvoorbereiding, leerlingen die AI inzetten voor een opdracht en bestaande software waarin na een update ineens AI-functionaliteit blijkt te zitten.

Volgens Tijmen Booij, schoolleider, onderwijsadviseur en oprichter van AIcademie, loopt het gebruik van AI inmiddels ver vooruit op het gesprek erover.

“In vrijwel iedere teamkamer wordt AI al gebruikt. Maar op heel veel scholen is nog nauwelijks vastgelegd hoe je daar gezamenlijk mee omgaat.”

Voor Booij is AI daarom in de eerste plaats geen technologisch vraagstuk.

Het is een onderwijsvraagstuk.

Wij komen uit het onderwijs, niet uit de techniek

Booij richtte in 2018 Creëdu op. Vanuit dat bureau ondersteunt hij scholen met advies, coaching, interim-schoolleiding en audits.

Later ontstond vanuit Creëdu AIcademie, specifiek gericht op scholing rondom AI in het onderwijs.

“We komen uit het onderwijs, niet uit de techniek. Dat is geen detail. Het is de kern van onze aanpak.”

Booij staat zelf nog iedere week in een school.

Daardoor kijkt hij anders naar AI dan een technologiebedrijf misschien zou doen.

“De vraag is voor mij nooit alleen wat een tool kan. De vraag is wat die tool doet met de relatie tussen leerling, leerkracht en leerstof.”

Daarom staat binnen AIcademie één persoon centraal:

de leerkracht.

“De leerkracht is uiteindelijk degene die het geheel overziet. Die weet wat een leerling moet leren, waar dat kind staat en wat er met het leren gebeurt wanneer je AI toevoegt.”

Niet beginnen met een cursus

AIcademie werkt met basisscholen, voortgezet onderwijs, schoolbesturen en samenwerkingsverbanden.

Het aanbod loopt van gratis instrumenten tot uitgebreide scholings- en beleidstrajecten.

Zo zijn er onder andere een zelfscan, het AI Kompas, een gereedschapskist met praktische documenten en een complete AI-les voor groep 6 tot en met 8.

Daarnaast biedt AIcademie teamtrainingen, studiedagen, werkplaatsen, e-learning, lessenseries, leerlijnen en ondersteuning bij beleid, medezeggenschap en bestuur.

Maar Booij begint bewust niet direct met een training.

“Een school zegt soms: we hebben iets met AI nodig, dus doe maar een cursus. Maar dan weet je nog helemaal niet wat het team nodig heeft.”

Daarom begint AIcademie met een scan.

Hoeveel kennis is er al? Wie gebruikt AI dagelijks? Wie heeft er vragen? En misschien nog belangrijker: welke collega’s praten er liever helemaal niet over?

“Pas als je dat weet, kun je bepalen wat voor scholing zinvol is.”

Geen AI-tool verkopen

AIcademie kiest er bewust voor om geen eigen AI-applicatie te bouwen die bijvoorbeeld lessen geeft of nakijkwerk volledig overneemt.

Ook verkoopt het bedrijf geen software van andere leveranciers door.

“Wij verkopen geen tool. Wij bieden een manier om naar AI te kijken.”

Die benadering bestaat uit drie bewegingen :

openen, maken en bewegen

En altijd met de leerkracht aan het stuur.

De instrumenten van AIcademie geven daarom bewust geen definitief oordeel.

Een zelfscan laat zien waar een school staat. Het AI Kompas maakt verschillen binnen een team zichtbaar. Een beleidsbouwer helpt een school zelf een eerste concept te maken.

“Wat je vervolgens besluit, blijft aan de school.”

Dat maakt de scholing volgens Booij ook minder afhankelijk van specifieke technologie.

“Wie alleen knoppen leert, is na de volgende grote update weer beginner. Wie leert kijken en wegen, kan ook de volgende tool zelf beoordelen.”

Scholing zonder afspraken is een dag uit de jaarplanning

Booij is kritisch op scholing die vooral inspireert, maar daarna niets verandert.

Iedere bijeenkomst van AIcademie moet daarom volgens hem eindigen met concrete afspraken.

“Als er na een studiedag niets wordt vastgelegd, dan was het uiteindelijk vooral een interessante dag uit de jaarplanning.”

Wie mag welke AI gebruiken?

Welke gegevens mogen wel en niet worden ingevoerd?

Waar is menselijke controle noodzakelijk?

Wat vinden we acceptabel voor leerlingen?

En wanneer kiezen we er bewust voor om AI juist niet te gebruiken?

Dat zijn vragen die niet in de tool zelf worden beantwoord.

Die moet een school gezamenlijk beantwoorden.

Het onderwijs kan niet meer wachten

Volgens Booij neemt de druk op scholen snel toe.

Enerzijds komt die vanuit leerlingen en medewerkers die AI al gebruiken.

Anderzijds neemt ook de formele aandacht voor AI-geletterdheid en digitale vaardigheden toe.

Daardoor kunnen scholen het onderwerp niet blijven behandelen als iets voor “later”.

“Het blijft nu soms liggen tussen ICT, kwaliteitsbeleid en directie. Iedereen ziet dat er iets moet gebeuren, maar niemand voelt zich volledig eigenaar.”

Volgens Booij is dat begrijpelijk, maar niet langer houdbaar.

Want AI raakt niet alleen ICT.

Het raakt lesgeven, toetsen, privacy, professionele verantwoordelijkheid, pedagogiek en de manier waarop leerlingen leren.

AI kan leraren lucht geven

Booij ziet tegelijkertijd grote kansen.

Het onderwijs kampt met hoge werkdruk en personeelstekorten. Juist daar kan AI volgens hem waarde toevoegen.

“Leraren hebben structureel te weinig tijd. AI kan helpen bij voorbereiding, differentiatie en feedback. Dat is geen luxe. Dat kan letterlijk lucht geven in een beroep waarin mensen uitvallen door de druk.”

Ook voor leerlingen ligt er een kans.

Niet door AI buiten de school te houden, maar juist door het onderwerp actief in het onderwijs te brengen.

“Leerlingen komen er dagelijks mee in aanraking. Dan kun je beter leren hoe het werkt, wat de mogelijkheden zijn en waar de risico’s liggen.”

Drie risico’s waar scholen nú over moeten praten

Booij ziet drie belangrijke aandachtspunten.

Het eerste is onzichtbaar AI-gebruik.

“Organisaties gebruiken soms al AI zonder dat ze dat beseffen, omdat functionaliteit automatisch is toegevoegd aan bestaande software. Wie zegt dat hij geen AI gebruikt, heeft vaak gewoon nog niet goed gekeken.”

Het tweede punt is privacy.

Vooral het gebruik van leerlinggegevens vraagt volgens hem duidelijke afspraken.

“Even iets uit een leerlingdossier in een chatbot plakken omdat dat handig is, kan natuurlijk niet zomaar. Die afspraken moeten bestaan vóórdat het gebeurt.”

Het derde risico noemt hij schijnzekerheid.

Organisaties willen graag aantonen dat medewerkers AI-geletterd zijn. Maar een bewijs van deelname aan een cursus betekent volgens Booij nog niet dat die geletterdheid ook daadwerkelijk in de organisatie is geborgd.

“Je moet goed blijven onderscheiden wat iemand heeft gevolgd en wat iemand aantoonbaar beheerst.”

Soms is ‘nee’ het beste AI-beleid

Een van Booijs belangrijkste uitgangspunten klinkt misschien verrassend voor iemand die organisaties helpt met AI.

Een school hoeft AI niet altijd in te zetten.

Sterker nog: een weloverwogen besluit om AI níet te gebruiken kan volgens hem juist getuigen van professionaliteit.

“Nee zeggen omdat je AI eng vindt, is geen beleid. Maar nee zeggen nadat je goed hebt afgewogen wat het met leren en werken doet, is vakmanschap.”

Dat onderscheid is volgens hem cruciaal.

Het doel is niet zoveel mogelijk AI gebruiken.

Het doel is beter onderwijs.

Waarom AIcademie zich aansluit bij BRAIN Nederland

Juist daar ziet Booij een duidelijke verbinding met BRAIN Nederland.

Scholen vinden het op dit moment moeilijk om te beoordelen welke AI-aanbieders betrouwbaar zijn.

“Een directeur met een beperkt scholingsbudget moet vaak op gevoel bepalen wie serieus is en wie vooral een goed verhaal heeft.”

Een gedragscode, kwaliteitsstandaarden en uiteindelijk een onafhankelijk erkenningsmerk kunnen volgens hem helpen om dat onderscheid duidelijker te maken.

“Voor mijn opdrachtgevers is dat geen theoretisch verhaal. Zij hebben behoefte aan houvast.”

Daarom sluit AIcademie zich aan als Founding Member van BRAIN Nederland.

Booij wil daarbij nadrukkelijk ook het perspectief van de afnemer inbrengen.

“Binnen een AI-branche hoor je vanzelf veel over modellen en technologie. Maar uiteindelijk landt die technologie ergens. In een klas, in een ziekenhuis, bij een gemeente. Die praktijk moet net zo hard aan tafel zitten.”

De sector moet zelf laten zien wat kwaliteit is

Booij ziet nog een tweede belangrijke reden om AI-organisaties aan te raden zich bij BRAIN Nederland aan te sluiten.

De sector moet volgens hem zelf helpen bepalen wat professionele AI is.

“Op dit moment lijkt een aanbieder die heel overtuigend iets belooft soms precies op een aanbieder die zijn werk daadwerkelijk goed doet. Als een klant dat verschil niet kan zien, wint de mooiste presentatie.”

Dat is volgens hem slecht voor de hele markt.

Door gezamenlijk normen op te stellen, kan de sector het verschil tussen belofte en kwaliteit zichtbaarder maken.

Zijn oproep richt zich daarbij nadrukkelijk ook op organisaties buiten de technologiesector.

“Als alleen bouwers aan tafel zitten, gaat het gesprek vanzelf vooral over modellen. Onderwijs, zorg en het publieke domein moeten meepraten over wat er gebeurt op de plekken waar AI uiteindelijk terechtkomt.”

Voor Tijmen Booij ligt daar de kern.

AI in het onderwijs begint niet bij technologie.

Het begint bij de vraag wat goed onderwijs is en welke rol AI daarin wel of juist niet zou moeten spelen.

En die beslissing hoort uiteindelijk bij de professional die het kind, het leren én de context overziet: de leerkracht.